Suncatcher-satelliet rekent vijftien minuten per keer
De testsatelliet van Project Suncatcher is donderdag gelanceerd. Google kreeg vier eigen AI-chips mee op de Transporter-18-vlucht van SpaceX, en daarmee gaat het plan voor rekencentra in een baan om de aarde van tekening naar praktijk. De eerste cijfers die Google meegeeft, maken ook duidelijk hoe klein dit experiment nog is.
Vijftien minuten rekenen, dan afkoelen
Aan boord zitten vier Tensor Processing Units, dezelfde chipfamilie die Google in zijn aardse datacenters gebruikt. Volgens NPR draaien ze een versie van Gemma, het open model van Google, en antwoorden ze op eenvoudige vragen. Niet continu: de chips werken vijftien minuten achter elkaar en moeten daarna afkoelen. In vacuüm is er geen lucht en geen water om warmte aan af te geven, dus alles moet via radiatoren wegstralen.
De koeling is dan ook de echte test, naast de vraag of de chips de straling in een lage baan om de aarde overleven. Dat Google met vier chips begint en niet met veertig, zegt genoeg over de onzekerheid. Eerder schreven we al over de aankondiging van deze lancering en de drie vragen die het toestel moet beantwoorden.

Waarom de zon het hele argument is
De satelliet vliegt in een zonsynchrone baan, waardoor de panelen vrijwel nooit in de schaduw komen. Dat scheelt zware accu’s en noodstroom. Alexander Wyglinski van het Worcester Polytechnic Institute legde tegen Scientific American uit waar de aantrekkingskracht zit: zonnepanelen in orbit leveren tot acht keer meer stroom dan dezelfde panelen op aarde.
Dat is geen abstract voordeel. De stroomhonger van AI drukt inmiddels op elektriciteitsnetten en op grondprijzen, zoals te zien is bij datacenters die Amerikaanse landbouwgrond opkopen. Wie rekenkracht kan bouwen zonder aansluiting op een net, ontloopt een probleem dat op aarde alleen maar groter wordt. Google mikt op clusters van 81 satellieten die via lasers met elkaar praten, een plan dat alleen rondrekent bij lanceerkosten van rond de 200 dollar per kilo.
De bezwaren van onderzoekers
Kerri Cahoy van MIT zette het schaalprobleem in Scientific American scherp: een aards datacenter bevat honderdduizenden chips, en om daarbij in de buurt te komen moeten zonnepanelen groeien van enkele meters naar arrays van een paar kilometer doorsnede. Alan George van de University of Pittsburgh wijst op de bandbreedte. Rekenen in orbit is één ding, de resultaten omlaag krijgen is duur en traag. Daar komt straling bij: kosmische deeltjes verstoren berekeningen, dus er is permanente foutcorrectie nodig.
Opgeteld blijft de vraag of de energiewinst de lanceerkosten, de vervanging van satellieten en het datatransport goedmaakt. Volgens Google volgen er volgend jaar twee satellieten die hun onderlinge laserverbinding moeten testen.
Wat betekent dit
Voor wie vandaag AI gebruikt, verandert er niets. Dit is onderzoek met een horizon van tien jaar, geen capaciteit die binnenkort in de cloud opduikt. Interessanter is wat de lancering zegt over de richting van de sector: de rem op AI zit niet meer bij modellen maar bij stroom, koeling en bouwtijd. Diezelfde druk zien we bij Samsung dat een miljard in een datacenterbouwer steekt en bij Crusoe dat een turbinedeal van 1,25 miljard afblies. Dat een van de grootste spelers vier chips de ruimte in stuurt om te kijken of het kán, past in dat beeld. De uitkomst over een jaar is belangrijker dan de lancering zelf.
